Samenwerken met meerdere disciplines uit de eerstelijnszorg is binnen Behandelteam Breda al jarenlang gemeengoed. Dat de disciplines in één gezondheidscentrum te vinden zijn, maakt de samenwerking wel een stuk gemakkelijker. FysioPromo Magazine ging in gesprek met de drie zorgverleners van het eerste uur van Behandelteam Breda: Bas Roovers van Fysiotherapie Heusdenhout, Ellen van der Ros van Ergotherapie Breda en Ingrid Snoeren van Logopediepraktijk Snoeren & de Kruif. In het interview werd duidelijk dat bij alle disciplines de neuzen vanaf het begin al dezelfde kant opstonden. 

 

Hoe is Behandelteam Breda tot stand gekomen en waarom hebben jullie dit opgezet?

Bas Roovers: “In Paramedisch Centrum Heusdenhout zitten we met meerdere disciplines bij elkaar en we werken eigenlijk al vanaf het begin met elkaar samen. Die samenwerking werd steeds intensiever, echter de buitenwereld wist dat nog te weinig. We wilden er daarom meer identiteit aan geven en als één stem naar buiten treden zodat we beter aan verwijzers konden laten zien dat we als team werken. We hebben het beestje een naam gegeven en er een aparte website aan gekoppeld. Aan onze werkwijze veranderde verder niet zo heel veel. Zodra een verwijzer een cliënt instuurt voor het behandelteam wordt daar automatisch een multidisciplinaire aanpak aan gekoppeld.”

Ingrid Snoeren: “Ik ben als logopedist begonnen in het onderwijs en daar was het werken in teamverband heel normaal. Wij hadden met onze logopediepraktijk altijd al de wens om samen te werken in een team met andere disciplines. Binnen Paramedisch Centrum Heusdenhout is die wens gerealiseerd. Bij ons in de praktijk werken we voor 60% met kinderen en voor 40% met volwassenen. Voor een logopediepraktijk is dat best een groot aandeel volwassenen. Dat komt door de aantrekkende werking van het paramedisch centrum en de multidisciplinaire aanpak.” 

Ellen van der Ros: “Ik ben inmiddels al 25 jaar ergotherapeute. Ik ben begonnen in een verpleeghuis en daar is samenwerking rond een cliënt. Dus toen ik in de eerstelijn ging werken vond ik het al heel logisch om samen te werken met andere disciplines. Zelf ben ik bezig met complexe neurologische aandoeningen zoals bijvoorbeeld Parkinson en MS en daar zijn veel disciplines bij betrokken: de huisarts, verpleegkundige, de neuroloog, fysiotherapeut, logopedist, de thuiszorg. Dan kan je niet anders dan de zorg op elkaar afstemmen.”

“Zodra een verwijzer een cliënt instuurt voor het behandelteam wordt daar automatisch een multidisciplinaire aanpak aan gekoppeld.”

 

Op welke manier werken jullie samen?

Bas Roovers: “Binnen Behandelteam Breda zijn de hoofddisciplines fysiotherapie, ergotherapie, logopedie, en psychosomatisch fysiotherapie. Wij hebben de zorg onderverdeeld in drie categorieën. Ouderenzorg & Neurorevalidatie, Oncologie en Post Covid-19. Omdat het multidisciplinaire werken in ons systeem zit, kijken we altijd zelf al of een cliënt baat kan hebben bij andere disciplines. De eerste behandelaar kijkt of er andere disciplines bij de behandeling betrokken moeten worden.” 

“Over het algemeen komen de cliënten vaak via de fysiotherapie binnen. Tijdens de intake stellen we gerichte vragen over de klachten en hoe het thuis verloopt. Vaak is daar ook de partner bij. Als daar hiaten zitten schakelen we door naar andere disciplines. We hebben regelmatig overleg met elkaar en dan wordt de casus verder besproken. Als dat sneller moet, doen we dat via de beveiligde app Siiloo. Tijdens het behandeloverleg gaan we dieper in op de casus en geven we elkaar feedback. De disciplines die bij de cliënt betrokken zijn luisteren en denken mee en daardoor bundel je meer kennis en krijg je meerdere ideeën over een adequate behandeling. In de praktijk zijn wij er op ingericht om continu het proces van de cliënt te monitoren en signalen op te pikken. Als een cliënt zegt ‘ik verslik me vaak’, dan gaat er direct een belletje rinkelen en denk je aan de logopedist.” 

Ingrid Snoeren: “Voor logopedie geldt dat we vaak via de fysiotherapie of ergotherapie worden ingeschakeld. Maar ook de verwijzer, zoals de huisarts kan dit al aangeven. Zeker nu met Covid-19 zien we dat de huisartsen daarin ook al breder denken. In het covidteam zitten naast de fysiotherapeut, de logopedist en de ergotherapeut ook een psycholoog, een diëtist en een psychosomatisch fysiotherapeut en als wij denken dat er andere zorgverleners bij zouden moeten, zoeken we die op. Wij maken overigens ook deel uit van een kinderteam waarbij we samenwerken met een kinderfysiotherapeut, twee (kinder)psychologenpraktijken en een diëtist.”

Ellen van der Ros: “Ik zal een concreet voorbeeld geven. Er was een man van 39 jaar met Parkinson al langere tijd aan het trainen bij de fysiotherapeut. Tussentijds had hij een kindje gekregen en ervaarde hanteringsproblemen, moeite met tillen, aankleden en dergelijke. Dan krijg ik van de fysio een berichtje via de app: ‘het is wenselijk dat jij daar even naar gaat kijken’. Het kan zelfs zo zijn dat je tijdens een behandeling er al bij geroepen wordt en meekijkt. We hebben hele korte lijntjes en kunnen dus snel schakelen.” 

“Door het bundelen van kennis krijg je meerdere ideeën over een adequate behandeling” 

 

Wat zijn de kritische succesfactoren om op deze manier samen te kunnen werken?

Bas Roovers: “Je hebt mensen nodig binnen het team die over hun domein heen kunnen denken en je moet elkaar zien. Je moet echt met elkaar afspreken en samenzitten en daar dus tijd voor vrij willen maken. Dat zorgt voor een betere communicatie en maakt ook dingen los, die je via de app niet voor elkaar krijgt. Er komt veel meer uit als je elkaar ziet.” 

Ellen van der Ros: “Er moet een intern enthousiasme gevoeld worden en dat de meerwaarde wordt ervaren dat het daadwerkelijk uitmaakt. Dat je merkt dat die zorg beter is. Het lastige is dat al die overleggen vrijwilligerswerk is. Er staat (nog) geen vergoeding tegenover vanuit de zorgverzekering. Het is niet zo dat we een complete vergadercultuur moeten gaan opzetten, maar soms is het qua zorgkosten goedkoper om elkaar even te zien en goed af te stemmen in plaats van op ons eigen eilandje te blijven zitten. Het is jammer als dat door het gebrek aan financiële tegemoetkoming beperkt wordt.”

Ingrid Snoeren: “Je moet gedreven zijn in je vak, graag samenwerken en de cliënt en zijn omgeving centraal hebben staan. Daarnaast moet je bereid zijn om er tijd in te investeren die je niet uitbetaald krijgt. Indirect betaalt dat zich overigens wel terug doordat mensen jou weten te vinden omdat je kwaliteit levert.” 

 

Hoe ervaren de cliënten deze vorm van zorgverlening?

Bas Roovers: “Cliënten vinden het erg fijn dat de lijntjes kort zijn en dat we veel disciplines bij elkaar hebben zitten in één gebouw. Het maakt het maken van een afspraak bij een andere discipline heel laagdrempelig. Omdat wij elkaar goed kennen is een afspraak snel gemaakt. De cliënt hoeft niet naar een andere plek, alles regelen we binnen het centrum. Dat geeft rust en vertrouwen voor de cliënt.”

Ingrid Snoeren: “Ik hoor ook veel positieve geluiden. Cliënten vinden het prettig dat de zorgverleners niet op hun eilandjes zitten. Een cliënt vindt het fijn als hij tijdens het gesprek merkt dat ik op de hoogte ben wat de andere disciplines doen. Ook als we ergens tegenaan lopen tijdens een behandeling, vraagt de cliënt (er om) of we dat met elkaar willen afstemmen. Cliënten vinden het ook fijn dat in de verslaglegging naar de arts toe de gegevens van de andere disciplines vermeld worden.” 

Ellen van der Ros: “Onze aanpak wordt als positief ervaren. Ik geef weer een concreet voorbeeld: Als iemand moeite heeft met in en uit bed stappen en draaien in bed, dan kunnen wij als ergotherapeut daar een analyse in doen en kijken naar hulpmiddelengebruik. In de basisverzekering zit echter maar tien uur ergotherapie. Dat is beperkter dan bij de fysio, die heeft daar een wat ruimere indicatie voor. Wij kunnen dan tegen de fysio, die toch al thuis met de cliënt oefent, zeggen: dit hebben wij gedaan, als die cliënt het op die manier uitvoert dan gaat het goed. Dus wil jij dit verder meenemen in jouw behandeling aan huis zodat het goed wordt ingeoefend. Zo werk je dus heel efficiënt en de ergotherapeut heeft dan meer tijd om nog andere vraagstukken aan te gaan met de cliënt. Ik zie dat als een win-win-situatie.”

“We hoeven niet heel Nederland vol te zetten met behandelteams, maar je kunt wel je eigen behandelteam rond een cliënt vormgeven”

 

Zijn jullie van mening dat er meer op deze manier gewerkt moet worden in de zorg?

Bas Roovers: “Jazeker. Er zijn ongelooflijk veel aandoeningen waarbij we veel breder zouden moeten kijken dan alleen ons paadje. Daar zijn ook nog grote stappen in te zetten. 

Een voorbeeld is het postcommotioneel syndroom, bij mensen die een hersenschudding hebben gehad. Dat werd eerst in het revalidatiecentrum behandeld maar die doen dat nu niet meer. Dat komt nu naar de eerstelijn. Bij deze aandoening ervaren mensen cognitieve problemen en daar kom je alleen met fysiotherapie tekort. Daar heb je ook een ergotherapeut en psychosomatisch fysiotherapeut bij nodig. Omdat wij de logistiek van het behandelteam hebben staan kunnen wij dit snel goed vormgeven. Je kan echt als verlengstuk van het revalidatiecentrum functioneren.”

Ellen van der Ros: “Ja. We hoeven niet heel Nederland vol te zetten met behandelteams, maar je kunt wel je eigen behandelteam rond een cliënt vormgeven. Ik zou elke individuele zorgverlener willen meegeven om de ogen open te houden voor wie er nog meer om een cliënt heen zit en of het belangrijk is om af te stemmen. Zorg er ook voor dat je elkaars discipline kent. Er zijn nog steeds fysiotherapeuten die niet weten wat een ergotherapeut doet. We moeten meer multidisciplinair opgeleid worden in die zin dat je kunt signaleren naar elkaar.” 

Ingrid Snoeren: “Ook ik zeg volmondig ja vanwege de hierboven genoemde voordelen. Ik denk dat disciplines nog veel vaker elkaar kunnen opzoeken. Eerlijkheidshalve moet ik ook zeggen dat het heel veel tijd kost voordat je zo’n team hebt staan”.

“Ga fysiek met elkaar in één gebouw zitten en neem lunchpauze!!!”

 

Hebben jullie nog tips voor andere zorgverleners als het gaat om het opbouwen en onderhouden van een netwerk? 

Bas Roovers: “Maak er tijd voor vrij. Het is belangrijk dat je elkaar kent. Dan wordt het contact zoeken laagdrempelig. Als je goede ervaringen met elkaar hebt, ga je steeds meer samenwerken.”

Ellen van der Ros: “Sluit je aan bij regionale en landelijke netwerken die met jouw vakgebied te maken hebben en laat je gezicht zien en leer de gezichten kennen die daar bij horen. Ik denk dat de kracht van Behandelteam Breda is dat wij heel erg uitreiken. Wij pakken snel de telefoon, sturen een Siilootje en maken kenbaar dat we er zijn.” 

Ingrid Snoeren: “Als ik terugdenk aan onze begintijd zeg ik: ga fysiek met elkaar in één gebouw zitten, dat maakt het een stuk makkelijker en neem lunchpauze!!! Spreek af wanneer je dat doet en ga samenzitten. Weet dat het de cliënt in de eerste plaats, maar dat het jouw praktijk en jou als mens heel veel oplevert om van elkaar te leren.”

“Ik wil afsluiten met een mooi voorbeeld. We hadden een cliënte met ernstige slikproblemen. Zij heeft, samen met haar diëtist, intensief gewerkt aan het ontwikkelen van een kookboek met recepten waarin medische drinkvoeding is verwerkt zonder dat je dit proeft. Hierbij waren wij als logopedist nauw betrokken (o.a. in het meedenken voor mensen met slikproblemen, het bepalen van de voedingsconsistentie). We hebben in deze periode gezamenlijk cliëntenbijeenkomsten georganiseerd rondom dit onderwerp, samen met de auteurs van het boek en fysiotherapeut. Onlangs hebben we een gezamenlijk gastcollege verzorgd voor de HAN in Nijmegen waarin multidisciplinaire samenwerking een belangrijk onderwerp was. Dit alles kost veel tijd maar het levert ook veel werkplezier op. Dat zijn voor mij de leuke krenten in de pap.”

Recent Posts